Feast

Er zijn van die films die de verwachtingen juist niet aanwakkeren, en daaraan vreemd genoeg hun aantrekkingskracht ontlenen. John Gulager, filmmaker in de marge van Los Angeles, tekende op de bonnefooi in op een scenario voor een film die onderdeel uitmaakt van de TV-documentaireserie Project Greenlight, over het maken van films. De derde aflevering daarvan betrof het maken van een horrorfilm. Tot zijn stomme verbazing sleepte hij de klus binnen, en kon de debuterende Gulager met zijn crew, wurmend en laverend tussen de TV-cameraploegen door, met ongeveer anderhalf miljoen van de zojuist van productiemaatschappij Miramax afgesplitste gebroeders Weinstein aan de slag. Eenmaal voltooid haalde de film nog wel een enkel festival, maar nooit een première in de bioscoop en de rolprent was door de gemankeerde distributie al snel veroordeeld tot een voortbestaan op DVD. De marketingmeesters werden alsnog wakker toen Weinstein een dikke miljoen dreigde af te moeten boeken, en haalden de tamtam uit de mottenballen om te redden wat er te redden valt met het nodige online rumoer. ‘Unrated’, moest er natuurlijk prominent op de omslag staan. Het betreft immers in wezen niets meer dan een lowbudget B-film met een synopsis die zich op de achterkant van een sigarenkistje laat uitschrijven.

Ziedaar de oorzaak van mijn nieuwsgierigheid: een film die al op voorhand ruiterlijk toegeeft niets bijzonders te zijn kan alleen maar meevallen. Het is een redenering waar ik natuurlijk regelmatig de neus mee stoot. Maar ik kan het niet helpen, wie zich kwetsbaar opstelt ziet mij met goede moed aanschuiven. Tegen beter weten in legde ik het schijfje in de slede, drukte op het pijltje naar rechts en schonk intussen een geurende kop koffie in. Het verhaal is, als gemeld, kipsimpel. Een tiental mensen in een Titty Twister-achtige bar moet zich zien te verschansen tegen hen belagende, uit het niets opgedoemde monsters. Vanzelfsprekend leggen ze daarbij, op enkele na, stuk voor stuk op bloederige wijze het loodje.

Toen de aftiteling voorbij rolde was ik blij. Ik had een uiterst vermakelijke film gezien die geen moment verveelde. Dolkomische momenten en flitsende, van vulgariteiten doortrokken dialogen worden in vlot tempo afgewisseld met intense aktie en gore, en hoewel Gulager opzichtig leentjebuur speelt bij zowel Night of the Living Dead (setting en subplots) als bij From Dusk Till Dawn (beeldvoering en stijl) waagt hij het om bijna demonstratief enkele heilige huisjes in te trappen. Zo doorspekt hij zijn film met alle bloed en ingewanden die Gary J. Tunnicliffe (Candyman, Hellraiser, Blade) aan had weten te slepen, en overtreedt hij een heilige wet (‘do not off the kid’) door een jong ventje als eerste slachtoffer, zijn moeder in ontreddering achterlatend, aan de belagende monsters op te offeren. Gulager betoont moed; ik ben ervan overtuigd dat de doorgewinterde gebroeders Weinstein een paar keer hebben moeten slikken bij het zien van de definitieve montage.

Dat wil niet zeggen dat Feast een in alle opzichten goede film is. Verre van dat zelfs. Met name de continuïteit van zowel scenario als geluid laat hier en daar nog wel eens te wensen over, waarmee Gulager zijn gebrek aan routine verraadt. Zijn monsters zijn daarbij campy, en hoewel zuinig in beeld gebracht nog steeds vrij duidelijk mannen in pakken. Maar met zijn tomeloze enthousiasme, en de wijsheid om zijn film vooral niet al te serieus te nemen, weet hij het geheel de som der delen ver te laten ontstijgen, worden de technische mankementen nergens storend en werken deze, opmerkelijk genoeg, soms juist complementair aan de lol die men aan Feast kan beleven. Daar komt bij dat hij zijn veelkoppige cast, die hij overigens stijl- en humorvol op Sergio Leone-achtige wijze, ondersteund door afwisselend country & western en nu-metal, aan de kijker introduceert goed op weet te jagen. Dat Gulager daarbij strikt genomen in te korte tijd veel teveel informatie op die kijker loslaat geeft helemaal niets. Het overkoepelende drama in deze film blijkt, hoewel in essentie aanwezig, een volstrekt ondergeschikte rol te spelen omdat het, als ware het een hardcore versie van Scary Movie, veeleer draait om een in onderling verband gebrachte serie scènes en de daarin ten tonele gevoerde aktie.

Wie geen zin heeft in moeilijke metaforen of ingewikkelde interpretatieve cinema, maar gewoon eens het verstand uit wil zetten en lekker onderuit wil zakken om zich te laven aan een grove film met een forse dosis gore en verbale humor heeft met Feast wat de titel belooft.

The Skeleton Key

Voodoo-films vormen een opmerkelijk, klein maar fijn subgenre dat zich kenmerkt door beheerste en vertellende stijl, locatie-opnamen, spaarzame toepassing van speciale effecten en intelligente en eclectische, zorgvuldig opgebouwde verhalen met vertakkingen naar misdaad, politiek, geschiedenis, romantiek, religie en het bovennatuurlijke. Veel met name jeugdiger filmkijkers zullen met hun door aktie-zwangere, op MTV-leest geschoeide films getrainde ogen geneigd zijn verveeld af te haken op de veelal gestage verteltrant waarin plotontwikkeling en subtext voorrang krijgen op aktie en handeling. Maar voor de liefhebbende fijnproever is er de spanning en dynamiek die men ook wel in de betere moderne Aziatische films aantreft. En hoewel The Skeleton Key geen meesterwerk is, is het niettemin een opmerkelijk beheerste, sfeervolle en beklemmende film die met glans slaagt in zijn opzet.

Caroline Ellis (Hudson) is een verpleegster in een ziekenhuis in New Orleans die de industriële mechanismen van de herstelfabriek te vervreemdend vindt. Onderweg naar huis treft ze in de krant een wervingsadvertentie aan voor een thuiszorgverlener, tegen een royale beloning. Het blijkt om een bejaard stel te gaan dat een immense plantage-villa in de bayou bewoont, en waarvan de heer des huizes door een beroerte is geveld. Al gauw ontdekt Caroline dat het er wemelt van de geheime ruimten en sinistere verhalen. Ze kan haar nieuwsgierigheid niet bedwingen, gaat op onderzoek uit maar raakt steeds verder verstrikt in de wereld van de zwarte magie die achter de geheimen schuil gaat.

Softley doet zijn naam eer aan met zijn sfeervolle, zorgvuldige regie waarin hij fraaie beelden van New Orleans (voordat Katrina er verwoestend huis hield) koppelt aan beklemmende, schijnbaar electrisch geladen sequenties die langs de randen van de op zichzelf milde PG-13 (12) keuring gaan. Softley houdt de troefkaarten van zijn verhaal zorgvuldig tegen de borst om deze op het juiste, want voor de kijker onvermoede moment uit te spelen en zijn verhaal af te wikkelen naar een bevredigend en verrassend slot. De prachtige lokatiebeelden geven de film een grote mate van geloofwaardigheid mee en eeuwige belofte Hudson geeft een goed gabalanceerde vertolking van haar hoofdpersoon in de film.

Toch is er ook wel wat aan te merken op The Skeleton Key. De zorgvuldige regie wordt ietwat ontsierd door een paar in het oog lopende continuïteitsmissers in de découpage, en Softley houdt in het overgrote deel van de film wel heel nadrukkelijk rekening met de door de producenten beoogde filmkeuring. Een paar extra gekruide momenten, wat meer venijn en wat minder vermijding van keuringsrisico zouden de film beslist goed hebben gedaan. Maar er blijft nog steeds voldoende te genieten voor wie eens rustig voor een film wil gaan zitten om naar een goed, boeiend en bij vlagen beklemmend spanningsvol verhaal te kijken.

Land of the Dead

George A. Romero’s langverwachte vierde deel in zijn befaamde filmreeks over de herrezen doden en hun onbedwingbare kannibalistische neigingen deed het redelijk, maar niet meer dan dat, in de bioscopen in de Amerikaanse thuismarkt. In Europa en Japan deed de film het evenwel opmerkelijk goed, en ook de DVD, waarop de film in een vier minuten langere, ongekeurde versie is te zien, gaat in Amerika als warme hotdogs over de counter.

De theaterversie liet zich bekijken als een modern, onderhoudend zombie-epos van een begenadigde veteraan die zijn métier tot in de vingertoppen beheerst, maar die daarin zijn hand niettemin hier en daar wat overspeelt. Kort gezegd kwam het voornaamste bezwaar erop neer dat Romero met de ontwikkeling van zijn zombies te grote stappen nam, daardoor teveel van zijn kijkers eiste en daarmee de geloofwaardigheid binnen de gegeven verhaalscontext teveel geweld aandeed. Slaagt Romero erin om, met de extra vier minuten, zijn film van goed te promoveren naar meesterlijk?

De zombies ontwikkelden zich van de onbekende dreiging van buitenaf in Night, via het verstikkende oordeel van wat de mens ooit zelf was in Dawn en hoe hij uiteindelijk ondanks alles het onheil over zichzelf afroept in Day, tot een potentiële Vierde Volksrevolutie van de ‘onaanraakbaren’ in Land. In deze versie geeft Romero zijn zombies, bevrijd van de kritische ogen van de vleeskeurmeesters, meer intensiteit (en gore) mee waardoor de vierde ontwikkelingsprong beter verteerbaar (althans in intellectueel opzicht) wordt, in Romero’s grotere verhaalsverband logischer wordt en de film zich daarmee meer als een ‘echte’, zij het modern vormgegeven Romero-film laat bekijken. Opmerkelijk is daarbij ook dat Romero, ondanks alle modernismen waarmee hij zijn film aankleedt, vasthoudt aan zijn innemende, traag schuifelende zombies, waar de rest van de filmwereld omwille van de maatvoering kiest voor zielloze, flitsende kannibalen. Aldus geeft Romero, ondanks de moderne en daarmee soms wat wilde vormgeving, onmiskenbare verhaalscontinuïteit mee aan zijn apocalyptische wereld.

De op het oog betrekkelijk kleine toevoegingen hebben meer invloed op de film als geheel dan men op het eerste gezicht van buitenaf geneigd zou zijn te vermoeden. De sleutelscènes rollen nu, in de oorspronkelijk door Romero beoogde découpage, in hun volle glorie over het scherm. Daarin ontwikkelen de zombies zich tot een geloofwaardige metafoor voor een lang dom en arm gehouden, maar ontwakende massa die niets meer of minder wil dan wat de bevoorrechten zo vurig alleen voor zichzelf voorbehouden achten, en actualiseert Romero zijn kritiek op de Amerikaanse samenleving en (Bush-)regering. De zombies voeren een strijd waarvan de geschiedenis leert dat deze weliswaar altijd door de bestaande machtselite wordt verloren, maar waaruit echter ook telkens weer een andere, nieuwe elite naar boven komt.

Alles overwegende is deze ongekeurde versie uitgebalanceerder en vollediger dan de theaterversie van de film. Daarmee herbevestigt Romero niet alleen zijn onaantastbare meesterschap in het genre, maar heeft hij een film gemaakt die zich alsnog met glans vestigt tussen de de besten van het subgenre in dit decennium, de satirische hommage Shaun of the Dead en het epische 28 Days Later.