De grootste vijand is de angst zelf…

Ik heb een bloedhekel aan het “als een ouder”-argument. Het stoorde me al voor ik vader werd en het stoort me nog steeds. Het meest hinderlijk vind ik het nog als ik het onbewust zelf uit de kast trek. Mocht je niet precies weten waar ik het over heb, geen punt… ik leg het even uit. Er is een bepaald irritant type vader/moeder dat de misselijke neiging heeft in een discussie of gesprek plotseling een zin te beginnen met de woorden: “als ouder/vader/moeder, vind ik…” alsof het feit dat hij of zij een kind op de wereld heeft gezet zou betekenen dat dat hem of haar een autoriteit maakt op wat voor onderwerp dan ook.
Alsof bij het uiten van die woorden alle toehoorders opeens gaan roepen: “Wacht mensen! Allemaal even luisteren! Ze praat nu als moeder in plaats van als een domme onontwikkelde trut!” Vreselijk..
Maar goed, als vader ga je je pas echt zorgen maken over dingen. Ik heb twee jongens, één van veertien en één van tien, die ik samen opvoed met mijn ex-vrouw en er lijkt geen dag voorbij te gaan zonder dat er iets is om je zorgen over te maken. Dat kunnen kleine dingen zijn over huiswerk of een kapotte schooltas, of grotere dingen zoals schoolkeuzes of de handicap van m’n oudste jongen.
Heel soms – gelukkig niet te vaak – zijn het enorme dingen. Mijn grootste angst is dat er iets met één van de jongens gebeurt. En dan heb ik het natuurlijk over iets ergs: een ongeluk of iets met geweld. Ervaringen waarin die angst echt de kop opsteekt zijn gelukkig betrekkelijk zeldzaam. Een jaar of tien geleden liep m’n oudste weg uit de H&M waar hij met z’n moeder boodschappen aan het doen was en duurde het een paar uur voor hij werd teruggevonden bij een Albert Heijn twee kilometer verderop. Wat me het meest is bijgebleven van die middag/avond is dat we hem mochten ophalen bij het politiebureau waar hij met Duplo zat te spelen en dat we pas naar huis konden toen hij z’n warme chocomel op had. Zoonlief had zich zelf natuurlijk geen moment zorgen gemaakt – hij wist immers precies waar hij was. Hij was z’n moeder uit het oog verloren en had – op zich logisch – besloten dan maar vast naar de supermarkt te gaan waar later boodschappen gedaan moesten worden.
Aan het eind van de middag een paar weken geleden werd ik gebeld door m’n ex dat mijn jongste nog niet thuis was uit school. Stukje context in deze: hij fietst zelf van school naar huis, een tocht die doorgaans een minuut of twintig duurt. Als hij in de buurt gaat spelen, zet hij over het algemeen eerst zijn fiets onder het afdak bij z’n moeder in de tuin. Als hij naar een vriendje toegaat, is het de bedoeling dat hij even belt om te zeggen waar hij is. Nu is m’n jongste een goed joch, maar hij is nogal vergeetachtig. In de praktijk betekent dat dat je niet meteen op de paniekknop drukt, maar eerst even een belrondje doet langs bekende vriendjes om te checken of hij daar toevallig uithangt. Dat betekent dat tegen de tijd dat ik m’n ex aan de lijn had, onze jongste inmiddels meer dan een uur te laat thuis was.
En dat is nou zo’n moment dat het hebben van een sterk ontwikkelde fantasie verschrikkelijk slecht uitkomt. Want er kan heel veel gebeuren in een uur – ergens tussen school en huis. Allerlei beelden schoten er in korte tijd door m’n hoofd: over aanrijdingen of valpartijen bijvoorbeeld. De mogelijkheid van dat soort gebeurtenissen kon ik echter uitsluiten door snel een paar P2000 sites voor de omgeving te checken. Niet helemaal waterdicht natuurlijk, maar zoonliefs fietsroute loopt langs betrekkelijk drukke wegen dus de kans dat hij ongezien een ongeluk heeft, is betrekkelijk klein.
De angst die daarop volgde – een angst die andere ouders mogelijk herkennen – was het beeld van een auto of busje, een man of vrouw die uitstapt en m’n jongen naar binnen trekt. Zodra dat beeld zich in m’n hoofd genesteld heeft, heb ik spijt van alle politie- en horrorfilms die ik ooit gezien heb.
Wat te doen in een situatie als deze? Mijn ex was thuis met onze oudste zoon, die ze er met man en macht van moest weerhouden om op de fiets te stappen en als een kip zonder kop door de buurt te gaan rijden – ik was een uur rijden verwijderd. Uiteindelijk besloten we om de politie te bellen wat de bizarre situatie opleverde dat ik op de site van Amber Alert een melding zag over m’n eigen kind. Ik kreeg opeens berichtjes binnen via Hangouts en WhatsApp van vrienden en bekenden met de vraag: “Is het die van jou?”
Ik zat bij m’n vriendin thuis en deed m’n best om niet toe te geven aan de paniek, in de stellige overtuiging dat als ik in de auto zou springen ik een dikke kans zou hebben om in een ongeluk betrokken te raken. Er gingen twintig minuten voorbij, een half uur. Ik belde heel even met m’n vriendin om te vertellen wat er aan de hand was en daarna hield ik, al ijsberend, de lijn angstvallig vrij. Het enge van de situatie was dat de telefoon om twee redenen kon rinkelen, dus toen het eindelijk (ongeveer 35 minuten na de eerste melding) gebeurde, was het zowel een bevrijding als een opleving van onrust.

Het bleek dat mijn zoontje bij een nieuw vriendje was gaan spelen en vergeten was naar huis te bellen…

De dag dat Tommie eerder wakker werd dan anders (I)

Het zal een dinsdag- of een woensdagochtend zijn geweest toen Tommie ’s ochtends wakker werd. Nu werd Tommie natuurlijk wel vaker wakker ’s ochtends, soms wel vaker dan één keer. Maar deze ochtend was anders dan anders – echt heel anders.
Tommie wist niet precies hoe laat hij meestal wakker werd en dat vond hij eigenlijk ook niet echt belangrijk. Waar het om ging was natuurlijk dat papa of mama (meestal papa) hem ’s ochtends op tijd wakker maakte. Er moest altijd zo veel gebeuren na het opstaan: tanden poetsen, gezicht wassen, aankleden, ontbijten en dan meteen naar school. Tommie vond het altijd wel zo prettig om ’s ochtends een beetje rustig aan te doen, maar papa en mama hadden meestal haast. Toch waren ze altijd op tijd op school, dus Tommie had niet het gevoel dat er zo’n enorme haast nodig was.
Tommie kon al een beetje klok kijken want dat hadden ze op school al gehad. Hij wist wat het betekende als de grote wijzer op de twaalf stond en ook wat de kleine wijzer deed. Maar op zijn kamer stond geen klok op het nachtkastje en er hing geen klok aan de muur, dus kon Tommie niet zien hoe laat het was toen hij die ochtend wakker werd.
Het was nog niet helemaal licht buiten maar ook niet meer helemaal donker. Hij kon z’n bureautje zien met zijn LEGO auto’s er op en het stoeltje erbij waar zijn kleren al klaar lagen – daar was het al licht genoeg voor. Maar hij kon niet zien wat voor kleur zijn auto’s waren of welke kleur de broek en het shirt waren die hij aan moest trekken. Dat was eigenlijk wel interessant, vond Tommie. Hij kon zich niet herinneren dat hij al eens eerder wakker was geweest voordat papa of mama hem kwam wakkermaken.
Papa en mama vertelden wel eens dat hij ze vroeger vaak ’s nachts wakker maakte omdat hij niet wilde slapen maar dat leek Tommie hoogst onwaarschijnlijk. Hij was altijd heel moe als hij naar bed moest en viel altijd meteen in slaap. Waarschijnlijk probeerden papa en mama hem voor de gek te houden, dat deden ze wel vaker. Net als toen ze hem probeerden wijs te maken dat spruitjes gezond waren, terwijl Tommie zeker wist dat iets dat zo smerig smaakte nooit goed voor je kon zijn.
Hij was zo druk bezig met het bekijken van de kamer en het zich verbazen over hoe stil het was in huis, dat Tommie er even over deed voor hij doorhad dat hij best dorst had. Enorme dorst zelfs… hij zou wel een beker fristi lusten. Dat kon natuurlijk pas als papa en mama ook wakker waren, tenzij hij het zelf zou gaan inschenken in de keuken. Tommie dacht eens rustig over die optie na. Zelf naar de keuken lopen en fristi inschenken, zou dat kunnen? Naar de keuken lopen was niet zo verschrikkelijk ingewikkeld en hij wist waar de fristi stond – dat was in de koelkast.
Maar hij maakte zich een beetje zorgen om het inschenken van de fristi. Stel je eens voor dat het misging en dat hij fristi op de grond zou knoeien? Misschien werden papa en mama dan wel boos. Nee, dat leek hem geen goed idee. Maar wat dan? Wachten tot papa en mama wakker werden? Tommie bedacht zich dat dit een ideaal moment zou zijn geweest om een eigen klok te hebben. Zijn vriendje Robin had hem verteld dat hij een superhelden-klok op zijn kamer had. Dat wilde Tommie ook wel.
Maar terug naar de feiten van nu! Tommie had een droge keel – dat probleem moest opgelost worden. Opeens schoot hem iets te binnen: natuurlijk, de beker water op het nachtkastje! Elke avond zette papa of mama een beker water op het kastje en elke avond vlak nadat zijn verhaaltje was afgelopen en vlak voordat hij ging slapen, nam Tommie een paar slokken water. Steeds maar een paar slokjes want als hij de hele beker leegdronk, zou het zo maar eens kunnen dat hij ’s nachts moest plassen. Dat was niet helemaal de bedoeling want Tommie werd eigenlijk niet wakker als hij naar de wc moest ’s nachts. Er moest in ieder geval nog water in de beker zitten, dus Tommie was gered.
Hij ging overeind zitten en pakte de Superman-beker van het nachtkastje. Dat deed Tommie voorzichtig met twee handen, precies zoals hij van papa en mama geleerd had. Bijna meteen voelde hij dat er iets raars aan de hand was. De beker was veel te licht in zijn handen. Verbaasd keek Tommie in de beker: hij was leeg. Tommie dacht eens goed na: hij had toch echt maar een paar slokjes water gedronken gisteravond. Zou mama stiekem de beker hebben leeggedronken na het verhaaltje? Dat zou natuurlijk kunnen maar Tommie had zo’n idee dat ze de lege beker dan zou hebben meegenomen naar beneden. Papa vergat dat soort dingen wel eens, maar mama zou er zeker aan gedacht hebben. Dus het water was gewoon weg… wat raar!

This piece can only hurt me, the wise man said…

Mijn gevoel voor humor heeft een gemene kant. Ik doe wat meer SFW-humor (anders kan ik m’n kinderen of m’n oma geen grappen vertellen), maar m’n hart ligt bij humor met een gemene kant. Ik beledig met een glimlach, zou je kunnen zeggen. Dat soort humor werkt alleen als je grens opzoekt en daarbij het risico accepteert dat je af en toe over de grens overstapt.
Nu ben ik een grote jongen en ik ben prima opgevoed door m’n ouders, dus als ik te ver ga zeg ik netjes “sorry” en maak ik een aantekening voor mezelf dat die bepaalde opmerking blijkbaar te ver ging voor die persoon. Mijn stelregel is altijd geweest dat ik pas weet waar de grens is, als ik er over heen ben – dus in principe kan een onderwerp niet van te voren taboe zijn.
Op zich een prima regel natuurlijk, maar hij werkt niet altijd. Als ik tegenover vier brede gasten sta, die toch al een beetje boos op me zijn, hou ik me in. Hoe hilarisch mijn putdown op dat moment ook kan zijn, ik ben gehecht aan m’n tanden, dus die gevatte opmerking gaat even de ijskast in. Ik denk niet dat iemand van de bovenstaande situatie zou zeggen dat mijn vrijheid van meningsuiting in het geding is. Sterker nog: als ik met een gebroken neus sta te vertellen dat ik de avond van tevoren tegen een uitsmijter een opmerking heb gemaakt over de samenhang tussen testikelomvang en steroïdegebruik, zullen de meeste mensen zeggen: “ja, dat was stom”.
Ik ben erg benieuwd waar de overgang is van “ja, dat was stom” naar “stille tocht” en “facebookpagina”. Ik hoop van ganser harte dat het te maken heeft met de reactie. Ik hoop dat het idee is dat een vuistslag okay zou zijn geweest, maar dat een mes of een pistool te ver gaat. Dat hoop ik. Maar kan iemand zich verplaatsen in het gevoel dat ik krijg uit de media de laatste dagen dat het ook te maken heeft met wie er wordt beledigd?
Want laten we alsjeblieft eerlijk zijn over waar de stille tochten en “je suis charlie”-hashtags over gaan: we beschermen het recht om mensen te beledigen. Daar heb ik totaal geen problemen mee, trouwens. Ik profiteer er dagelijks van en wil dat graag blijven doen. Maar dat is ook wat Theo van Gogh deed bijvoorbeeld. Hij maakte er een sport van om mensen te beledigen. Hij was niet bijster subtiel en deed – voor zover ik zag – geen enkele moeite om zijn beledigingen een opstap naar een brede maatschappelijke discussie te laten zijn. Die halte passeerde hij zo’n beetje op het moment dat hij moslims standaard “geitenneukers” ging noemen. Was ik geschokt toen Van Gogh op straat in Amsterdam werd neergestoken? Natuurlijk was ik dat, maar als Mohammed B. zijn vuisten had gebruikt in plaats van een mes en Van Gogh met een gebroken neus op TV een oproep had gedaan over de vrijheid van meningsuiting dan had ik hem uitgelachen.
Het Franse blad Charlie Hebdo was een stuk subtieler dan Theo van Gogh, dat is zeker waar. Ook waar is dat het blad een stuk breder was in hun keuze van doelwitten. Maar één punt is belangrijk om te onthouden: ik bepaal niet of wat ik zeg beledigend voor je is, dat doe jij. En als jij me vertelt dat ik je beledig en ik ga toch door, dan kan ik praten over vrijheid van meningsuiting zoveel ik wil: ik ben op zijn minst een klein beetje een lul.
En nogmaals: ik vind absoluut niet dat de schutters in Parijs in hun recht stonden toen ze de trekker overhaalden. Dit stukje is niet voor hun. Dit stukje is voor de mensen in de stille tochten en op Facebook. Dit stukje gaat over mijn idee dat we onze discussies moeten ontdoen van hun hoogdravende taal en dat we het moeten hebben over waar het over gaat: dat een mening beledigend kan zijn en dat beledigingen mensen boos maken.
Want ik zie de afgelopen dagen veel mensen op TV en in de krant van wie ik een paar maanden geleden niet mocht zeggen dat ik Zwarte Piet best wel een beledigende en racistische traditie vind. Waar waren die potloden toen? Waar waren de stille tochten om Quinsy Gario’s recht op vrijheid van meningsuiting te verdedigen?
Het lijkt me dat we onze tochten moeten lopen en onze facebook-groepen moeten oprichten omdat we het niet eens zijn met de manier waarop iemand zijn mening uit (bijvoorbeeld met geweld) en niet om de mening zelf. Dit stukje is niet voor iedereen, dat weet ik heel goed. Maar lees het door en vraag je af: wie waren die mensen die naast me stonden op het Museumplein of op Plein ’44? Waren ze boos omdat 12 mensen waren neergeschoten of vonden ze dat moslims niet zo moeten zeuren? Want hou jezelf niet voor de gek: die tweede groep mensen waren er ook – ze zijn overal om ons heen – en ze hebben zelf misschien niet in de gaten dat ze het eigenlijk niet snappen.

Over domme tweets, grote fouten en wat dies meer zij…

Ik grap soms met ex-collega’s over situaties waarin iemand de carriëre van een collega had kunnen redden door op het juiste moment achter hem of haar te staan en te voorkomen dat een specifiek mailbericht werd verzonden.

Vandaag heb ik, al zittende achter mijn toetsenbord, al meerdere tweets en facebookposts zien langskomen waarvan ik me afvraag: “Waarom had je niet iemand achter je staan die tegen je zei: “Nee, joh, doe maar niet”?”

Zo zie ik in mijn verschillende social media feeds dingen langskomen over dat de aanslag in Parijs in scene is gezet door de CIA, of de Mossad, of het Front National van Le Pen. Weet je, dat je zoiets gelooft is één ding, maar is er geen enkele hersencel in je donder actief genoeg om te beseffen dat dit een heel stom moment is om zoiets de wijde wereld in te slingeren? Het is natuurlijk waar dat deze aanslag koren op de molen is van op zijn minst twee van de bovengenoemde partijen (ik zie het belang van de CIA niet direct, maar noem me naïef), maar dan maar meteen beweren dat dat betekent dat ze voor de dood van 12 mensen verantwoordelijk zijn is een typisch gevalletje confirmation bias.

Een gebeurtenis als deze maakt in veel mensen de neiging wakker om terug te vallen op zwart-wit denken. In verzet tegen de gedachte dat drie malloten met machinegeweren een hele godsdienst tot terrorist maken, schakelen mensen terug op het instinct dan anderen maar de schuld te gaan geven. Ik persoonlijk heb geestelijke ruimte voor een wereldbeeld waarbinnen individuele leden van een groep een wandaad kunnen plegen die de andere leden van hun groep NIET veroordeelt.

Mohammed B. en de schutters in Parijs maken niet alle moslims tot daders, net zo min als Anders Breivik alle rechtse blanken tot daders maakte. Het feit dat een dader wordt geinspireerd door een religie, wereldbeeld of doctrine maakt hem of haar niet tot uithangbord van die overtuiging en het maakt de andere aanhangers van die overtuiging niet tot medeschuldigen.

De grootste zonde die ik of ieder ander in deze discussie zou kunnen doen, is een Godwin te plaatsen dus misschien is het handig om m’n argument aan de andere kant te plaatsen. In 1942 (na de aanval op Pearl Harbor) vaardigde de Amerikaanse president Roosevelt een wet uit die het mogelijk maakte om Japanse inwoners van de westkust van de Verenigde Staten op te pakken en in kampen op te sluiten. Dit hield in dat complete families zonder enige vorm van proces werden gevangengezet, uitsluitend op basis van hun afkomst.

Er zijn mensen die zullen roepen dat de aanslagen in Frankrijk bewijzen dat we de Islam (en al haar gelovigen) uit West-Europa moeten verbannen – of wellicht in een marginaal verlichter standpunt dat we religie in het algemeen zouden moeten verbieden. Ik begrijp die emotie heel goed, maar je kunt geen verbod uitspreken over iemands gedachten. Iedereen zou vrij moeten kunnen zijn in wat hij of zij gelooft of denkt.

Mijn vader herinnerde me eerder vandaag aan John Lennons “Imagine” met de regel “Imagine all the people”.

Imagine there’s no countries
It isn’t hard to do
Nothing to kill or die for
And no religion too
Imagine all the people living life in peace

Lennon was een aardige gast, hoor, en hij was ooit lid van de beste band aller tijden. En hij heeft in zoverre gelijk dat religie aan de basis staat van een aantal van de meest gruwelijke daden die mensen ooit tegen elkaar hebben gedaan. Merk trouwens op dat ik in deze stelling religie in een brede betekenis versta, zodat kapitalisme en communisme net zo zeer religie zijn als Islam of Christendom.

Maar je kunt religie niet verbieden – er is geen wet of handeling waarmee je iemands gedachten en overtuigingen aan de ketting kunt leggen en je zou het ook niet moeten willen. Waar het op neer komt is dat je zegt: “Wat jij denkt, bevalt me niet, en daarom mag het niet”. Onderdrukking en vervolging maken dingen alleen maar sterker en niet zwakker, omdat we als mens zijn geprogrammeerd om ons tegen onderdrukking te verzetten.

Ik beweer niet dat ik een oplossing heb voor de situatie waarin we met z’n allen verkeren, noch durf ik te zeggen dat ik de wijsheid in pacht heb. Maar ik geloof ten diepste dat geweld en haat onze problemen alleen groter kunnen maken en niet kleiner. Op dat punt had Jezus in ieder geval gelijk (en mocht je niet in Jezus geloven, laat dan Martin Luther King en Mahatma Gandhi je voorbeelden zijn).

De pen en het zwaard

De pen is niet machtiger dan het zwaard helaas. Niet op een manier die troost bied aan de slachtoffers in Parijs. Tenzij je Jason Bourne heet, is een AK47 de winnaar van elke discussie. En het is makkelijk om te zeggen dat geweld een zwaktebod is (en dat is het ook) maar hoe bescherm je je principes en je idealen tegen een tegenstander die bereid is je neer te slaan, neer te steken of neer te schieten?

Zouden de tekenaars van Charlie Hebdo in Parijs hun werk hebben neergelegd als ze wisten dat ze door machinegeweerkogels zouden worden doorzeefd? We kunnen het ze niet meer vragen. Er zullen toespraken gehouden worden de komende dagen waarin mensen zeggen dat de slachtoffers wisten dat ze risico liepen en dat ze helden zijn door hun beslissing om niet toe te geven. Maar ik zal me dan afvragen: “Welke beslissing?” Toen het moment kwam om een besluit te nemen, stonden de schutters al in het kantoor en was het te laat.

Ik heb geen idee hoe ik me zou gedragen als het moment daar was maar als ik nu zou moeten kiezen tussen het uiten van een controversiële mening of mijn leven, dan koos ik het laatste. Ik hou van mijn vriendin en m’n kinderen – ik zou geen seconde aarzelen.

De pen is niet machtiger dan het zwaard helaas. Er is noch een tekort aan pennen, noch een tekort aan wapens – net zo min als er een tekort is aan mensen die bereid zijn één van beide ter hand te nemen om iemand anders pijn te doen of te beschermen. Zeggen dat de pen machtiger is dan het zwaard, maakt de pen tot wapen. En als mijn pen een wapen is, hoe kan ik dan iemand anders vragen zijn pistool neer te leggen? Moet ik dan ook mijn pen neerleggen?

De pen is niet machtiger dan het zwaard helaas. Zowel de pen als het zwaard zijn maar zo sterk als degene die ze vastheeft. Beide zijn slechts een middel, een wijze van uiting van een gevoel. Er komt mogelijk voor ieder van ons nog een moment dat we moeten kiezen tussen één van beide.

Eén laatste overweging: we leven allen het liefst in een wereld waarin onze stemmen en onze pennen de enige wapens zijn. De enige manier waarop we dat kunnen bereiken is er voor te zorgen dat mijn stem net zo’n grote invloed en waarde heeft als die van ieder ander.

Zonder titel

er zit iets in me – zo lang als ik me kan herinneren

het is donker en sluipend en giftig

en soms, als ik niet sterk genoeg ben,

als m’n hoofd druk zou moeten zijn met andere dingen

dan dringt het naar voren en zorgt er voor

dat ik niet kan glimlachen

als ik kijk naar m’n kinderen

of als ik wakker word naast m’n lief

het is er altijd en overal

verscholen als een krokodil

onder het stille oppervlak

van m’n gedachten

het overspoelt me als een golf

een golf die aanrolt op een strand

dat zojuist nog vredig was en onbezorgd

een plaatje van rust en kalmte

waar ben ik banger voor

de leegte die de golf achterlaat

of dat de golf eens zo sterk zal zijn

dat hij me omspoelt en meetrekt de zee in

het engste gevoel is eigenlijk

dat als de golf komt – als hij over me heen spoelt

dat er dan een stukje is – soms groot soms klein

dat het niet erg zou vinden om meegetrokken te worden

wellicht zou het anders zijn als het strand leeg was

de enige voetsporen in het zand de mijne

maar kijk ik om dan zijn er meer

meer sporen die stoppen waar ik stop

het is het willen zien hoe die sporen verder gaan

dat maakt dat mijn eigen spoor nog steeds doorloopt

zonder die andere voetstappen naast de mijne

zou ik niet weten waar ik heen moest

Tijd voor jaarlijstjes – deel 2

Onderwerp van mijn tweede jaarlijstje: de tien beste boeken die ik dit jaar heb gelezen. Een paar aantekeningen bij deze lijst. Op de eerste plaats gaat het om boeken die ik dit jaar heb gelezen, niet om boeken die dit jaar zijn uitgekomen. Ik ben een herlezer – als een boek goed is, is één keer lezen niet genoeg. Op de tweede plaats (in tegenstelling tot m’n vorige lijstje) heeft deze lijst eigenlijk geen rangorde. De boeken hebben alleen nummers zodat ik kan bijhouden of ik er al tien op m’n lijst heb staan. Het was nog best moeilijk om aan tien te komen trouwens, niet omdat ik niet genoeg boeken had gelezen, maar omdat niet elk boek dat ik lees goed is, of liever: niet elk boek is goed genoeg voor een lijst als deze.
Voor mij geldt dat ik vrij snel drie of vier boeken, albums of films op een rij heb voor een lijst als dit. Elke navolgende suggestie wordt automatisch vergeleken met die eerste drie en dan word ik al snel heel kritisch.

Laatste opmerking: het is een terechte aanname dat een aantal boeken in deze lijst ook een plek hebben in mijn “Tien beste boeken die ik ooit gelezen heb”-lijst.

1. The Road – Cormac McCarthy
Het is een verschrikkelijk cliché, maar sinds ik vader ben (14 jaar alweer) ben ik heel gevoelig voor films en boeken die een vader-zoon relatie beschrijven. Binnen dat subgenre is The Road een juweeltje. Het verhaal is betrekkelijk simpel: in een post-apocalyptische wereld (nog zo’n subgenre wat me erg aantrekt) proberen een vader en zoon samen te overleven. Een prachtig verhaal met een ronduit schrijnend einde. Overigens ook heel mooi verfilmd.

2. Microserfs – Douglas Coupland
Er was een tijd, twee decennia geleden, dat Apple en Google nauwelijks meetelden en Microsoft behoorlijk hip was in het tech-wereldje. Microserfs gaat over een groepje programmeurs dat vertrekt bij Microsoft om voor zichzelf te beginnen, in een poging om “1.0” te zijn. Ik vind Coupland een leuke schrijver omdat zijn hoofdpersonen vierkante pinnen zijn in een wereld met ronde gaatjes. Het zijn vaak mensen die graag ergens bij willen horen, maar er lang niet in slagen de groep of plek te vinden waar ze in passen. Over het algemeen identificeer ik me vrij makkelijk met dat soort karakters – vooral als ze daarnaast ook nog vol zitten met twijfels over relaties, ambities en hun eigen persoonlijkheid. De beste reclame die ik kan maken voor dit (wat mij betreft) meesterwerk uit 1995 is dat ik elke keer dat ik het lees weer ontroerd ben door de laatste regels.

3. Dr. Sleep – Stephen King
In 1977 (mijn geboortejaar) schreef Stephen King een meesterwerk, getiteld The Shining. Nu wil ik jullie, de lezers, vragen om alles wat je weet over The Shining te vergeten. Vergeet de verfilming van Stanley Kubrick en vergeet vooral de televisie-serie uit 1997. Mijn belangrijkste punt is het volgende: The Shining is géén horrorverhaal. Er gebeuren heel enge dingen in (ook van bovennatuurlijke aard) maar in de eerste plaats is The Shining een verhaal over hoe een man worstelt met zichzelf, met zijn alcoholverslaving en (misschien het belangrijkste) met het feit dat zijn leven niet gelopen is zoals hij gehoopt had. Dr. Sleep is het magistrale vervolg op The Shining waarin Stephen King uiteen zet hoe we ongewild onze slechte eigenschappen doorgeven aan onze kinderen en over hoe moeilijk het is te ontsnappen uit een negatieve spiraal. Het is een verhaal over hoe we soms alleen onszelf kunnen redden door iets te doen voor iemand anders.

4. World War Z – Max Brooks
Zombies zijn met ruime voorsprong mijn favoriete subgenre in de horrorwereld, maar over het algemeen werken ze beter in film- of (als het dan echt moet) in stripvorm. Eigenlijk moet je ze op zijn minst kunnen zien, de lopende doden, om ze echt eng te vinden. De meeste zombiefilms eindigen voor het einde – je krijgt nooit precies te zien hoe het met de wereld afloopt omdat het verhaal focust op een klein groepje mensen. Ik kan niet voor anderen spreken, maar voor mij laat dat een gat achter. Max Brooks, schrijver van The Zombie Survival Guide vult dat gat met dit werk. Het laat zich lezen als een verslag van de oorlog tegen de zombies nadat de oorlog is afgelopen, een serie interviews met overlevenden. Erg spannend en bij vlagen aangrijpend. De film met Brad Pitt is ook niet onaardig.

5. The Terror – Dan Simmons
Dan Simmons is een veelzijdig schrijver. Zijn grootste hits heeft hij met science fiction (hij won prestigieuze prijzen met zijn Hyperion-serie), maar hij is ook succesvol met horror en thrillers. De afgelopen jaren heeft hij zich ook toegelegd op historische fictie, een genre waar The Terror in thuishoort. Gebaseerd op een waargebeurd verhaal, de verdwenen Arctische expeditie van John Franklin in 1845, zet Simmons een prachtig relaas neer over verraad, wanhoop, moed en liefde. Het is een dikke pil en het duurt even voordat je alle karakters op een rijtje hebt, maar het is het waard.

6. American Gods – Neil Gaiman
Hoe enorm fan ik ook ben van Terry Pratchett, Douglas Coupland en Stephen King, de beste schrijver aller tijden (voor mij) is Neil Gaiman. Het eerste wat ik van hem las waren de fenomenale Sandman-strips – tien delen magie. Ik heb dit jaar meerdere boeken van Gaiman gelezen, maar dit werk is misschien wel het beste wat ik van hem ken. Het verhaal gaat over de goden die door de eeuwen heen door migranten naar Amerika werden meegenomen. Wat is er van ze geworden, duizenden kilometers van hun geboorteland verwijderd? Zijn ze er nog nu hun gelovigen dood zijn of zijn opgenomen in de maatschappij, hun geloof verwaterd in gewoontes en bijgeloof?

7. Lies and the Lying Liars who Tell Them – Al Franken
Ik ben al heel erg lang geinteresseerd in Amerikaanse politiek. Zo vallen The West Wing en House of Cards onder m’n favoriete series en is The American President één van m’n lievelingsfilms. Wat betreft komieken gaat mijn voorkeur uit naar linkse critici als Bill Hicks en Lewis Black. Al Franken valt in een vergelijkbare categorie, al is hij een stuk subtieler dan Hicks en Black. Franken begon als schrijver en acteur voor het illustere Saturday Night Live voordat hij politiek commentaar ging leveren. Inmiddels is hij bezig aan zijn tweede termijn als senator voor de staat Minnesota. Interessant aan “Lies…” is dat Franken met een team van 15 onderzoekers heeft samengewerkt om te zorgen dat het boek niet alleen grappig is, maar ook nog eens kloppend – elk citaat heeft een bron, elke bewering wordt onderbouwd. Inmiddels een tikje gedateerd (het werd gepubliceerd in 2003) en het vereist wat voorkennis van Amerikaanse politieke geschiedenis, maar desalniettemin heel lezenswaardig.

8. Gone Girl – Gillian Flynn
Een bijzonder boek over een ontvoering (of niet?) en over huiselijk geweld (of niet?) en over dromen die niet uitkomen, verteld vanuit het perspectief van niet één maar twee onbetrouwbare vertellers die beide hun best doen de lezer van hun gelijk te overtuigen. Een verhaal met hoofdpersonen, maar zonder helden. Je zou kunnen zeggen dat het het meest realistische verhaal is dat je in jaren gelezen hebt.

9. The Fault In Our Stars – John Green
De pitch van dit boek (meisje met kanker ontmoet jongen met kanker) is het soort tekst dat ik verwacht van een film op RTL5 op woensdagavond, zo’n film met woorden in de titel als “A woman’s journey” of “The Anne Smith Story”. Ik probeer me verre te houden van werken als dit, nerveus als ik word van emotie-terrorisme. Maar de hype was zo groot dat ik er niet omheen kon – dezelfde reden dat ik ook De Da Vinci Code en 50 Shades of Grey heb gelezen. Ik heb er – in tegenstelling tot die andere voorbeelden – deze keer echter geen spijt van. Green schrijft knap en hij slaagt er in me echt iets te laten voelen voor de hoofdpersonen. En passant slaagt hij er in de meest ranzige clichés uit de weg te gaan, meestal door ze door de hoofdpersonen te laten aanstippen en afkraken.

10. Snuff – Terry Pratchett
Ik kan me weinig groter onrecht voorstellen dan het feit dat de onnavolgbare Terry Pratchett, schrijver van de Discworld serie en Good Omens, getroffen is door Alzheimer. Ik hoop dat het de man gegeven is nog een aantal boeken te produceren – en ik hoop dat ze net zo goed zijn als deze. De Discworld verhalen (inmiddels 40 in getal) zijn in een aantal verhaallijnen uit elkaar te halen – mijn meest favoriete lijn die van de stadswacht van Ankh Morpork en dit is het achtste boek in die serie. In dit deel houdt Vimes, commandant van de wacht, zich bezig met racisme en corruptie, op zijn (voor kenners bekende) enigszins blunderende maar onkreukbare wijze.

Tijd voor jaarlijstjes

Twee weken voor kerst is misschien wel een aardig moment voor mijn eerste jaarlijstje. Ik ben de afgelopen weken bezig geweest met het opschonen van m’n iTunes-bibliotheek en daar kan ik al meteen een aardig lijstje uit halen, namelijk: de tien liedjes die ik dit jaar het vaakst luisterde op m’n iPod en in iTunes.

1. Dotan – Fall
Door mijn afkeer van radio had ik dit nummer helemaal gemist – ik hoorde het pas in de tweede helft van 2014, toen 7 Layers al minstens een half jaar in de winkels lag. Zoals wel vaker de laatste jaren pikte ik Dotan op uit een TV-serie (The 100). Heel erg fijn nummer – ik merk al dat ik moet uitkijken dat ik het niet kapot draai.

2. Junip – Line of Fire
Nog zo’n nummer uit een (hele leuke) serie – in dit geval The Blacklist. Een Zweedse band, opgericht eind jaren negentig, maar eigenlijk nu pas een beetje in de spotlights. Erg leuke, enigszins creepy, clip ook – met een vervolg in de clip van de tweede single Your Life Your Call.

3. Aztec – Spor
Immens dikke track van Jon Gooch (a.k.a. Spor). Uit 2009 alweer, uitgebracht op Shogun Records. Als ik hem opzet tijdens het hardlopen of fitnessen verrek ik geheid een spier omdat ik te hard ga. Heb hem graag opstaan in de auto – Noah en ik trekken nogal bekijks als we wachtend voor een rood stoplicht uit onze plaat gaan 😉 Ook leuk: Shogun Records bestaat dit jaar 10 jaar en heeft daarom Aztec laten remixen door Calyx en Teebee. Verplicht luistermateriaal.

4. Re: Stacks – Bon Iver
Ik leerde Bon Iver kennen door te struikelen over een tumblr-blog over mensen die nog nooit van hem hadden gehoord. In 2012 won Bon Iver de Grammy voor beste nieuwe artiest, vóór andere genomineerden als Nicki Minaj en Skrillex. Nu heb ik een hekel aan zowel slechte pop als platte dubstep, dus dit leek mee een goeie motivatie om eens wat nummers van Bon Iver te gaan luisteren. Heb ik geen spijt van gehad.

5. Colour Fields – Elbow
Ik had Elbow al op m’n radar staan sinds hun debuutalbum in 2001 – ik geloof dat ik ze ontdekte door een verzamel-CD bij het tijdschrift Q. Ze stonden al een hele tijd op m’n live-verlanglijst toen ik ze in 2012 eindelijk voor het eerst mocht zien in Nijmegen. Ze toerden op dat moment met Build a Rocket Boys! en dat album is voor mij (tot nu toe) hun creatieve hoogtepunt. Dit jaar kwam opvolger The Take Off and Landing of Everything uit, waar dit nummer vandaan komt. Als album niet zo goed als de voorgangers, maar dit nummer: prachtig.

6. Pilgrim – Fink
The Blacklist is een goede bron voor muziek – ook deze komt er vandaan. Is een ontwikkeling die al langer zichtbaar is op Amerikaanse televisie – er wordt tijd gestoken in het vinden van het juiste nummer bij specifieke scenes en afleveringen. Ik heb niet zo veel met het album waar dit nummer op staat, omdat ik vind dat het op een gegeven moment een beetje veel van het zelfde wordt. “Pilgrim” heeft een mooi crescendo aan het eind – lekker opzwepend.

7. Let’s Get Lost – dEUS
Een van de eerste bands die ik ooit live zag – op het podium van Jongerencentrum Fenix in Sittard. Ik kan me niet meer precies herinneren wanneer het was, maar het moet rond het uitkomen van Worst Case Scenario zijn geweest in het najaar van 1994. Ik herinner me 1994 als een waanzinnig goed jaar voor muziek. Ik zag dat jaar Therapy?, Björk en Morphine op Pinkpop (m’n eerste keer). Er waren een behoorlijk aantal albums beter dat jaar: Ill Communication bijvoorbeeld, of Mellow Gold, of Superunknown, of The Downward Spiral. Maar dit ene nummer vindt steeds opnieuw z’n weg naar m’n koptelefoon.

8. Backdraft – Noisia
Er gaat niets boven Groningen, zeggen ze in Groningen. Dat moeten ze natuurlijk helemaal zelf weten. Maar als het aankomt op van-dik-hout-zaagt-men-planken drum & bass, dan geef ik de Groningers een punt. Dit is een betrekkelijk vroege track van het trio (circa 2004 op Subtitles) en hij stampt lekker door. Net als Aztec typisch zo’n nummer dat in de auto geregeld langs komt zeilen. Kijk in Nijmegen altijd uit als je een kleine rode Suzuki ziet rijden: als ik iets als dit aan heb staan, ben ik een gevaar op de weg.

9. Cross Bones Style – Cat Power
Ik heb recent de gehele backcatalogue van deze dame gedownload – negen albums in totaal. Zeventien jaar aan muzikale achtbaan – het is eigenlijk onrechtvaardig dat maar één van haar liedjes in de lijst staat.

10. Get Free – Major Lazer
Ik heb me nog nooit zo niet-op-mijn-plek gevoeld als op het Major Lazer concert dat ik een jaar of vijf geleden bijwoonde in Utrecht. Ik had m’n kaartje gewonnen via 3Voor12 en had geen idee waar ik naar toe ging. Ik weet eigenlijk niet eens meer wat de vraag was die ik moest beantwoorden. De hit van het debuutalbum waarmee de band toen toerde was Pon de Floor en als ik die track gehoord had voordat ik in de auto stapte was ik misschien niet naar Utrecht gereden. Ik had totaal geen ervaring met dancehall dus het concert was nogal een cultuurshock. Maar de band bleef wel hangen, dus toen een paar jaar later het tweede album uitkwam, ben ik hem wel meteen gaan luisteren. Dit is gewoon een heel leuk nummer 🙂

Overigens: leuke site voor het vinden van titels en bandnamen bij dat leuke nummer dat je in de aftiteling van die serie op televisie hoorde: TuneFind.

Ruimte

M'n hoofd is net m'n huis
Een chaotische verzameling
Alles wat ik ben en denk
Samengepropt in een kleine ruimte

Boeken en muziek
Ideeën en herinneringen
Beelden van wie ik liefheb

En telkens als ik probeer op te ruimen
Probeer om ruimte te scheppen
Word ik afgeleid door wat ik vind

Opruimen is nooit weggooien
Maar ruimte maken voor nieuwe dingen

Orde scheppen in chaos
Ruimte scheppen in een beperkte omgeving

Aan twee verhalen tegelijk werken is onhandig….

Hij liep zonder doel, zonder vooropgezet plan. Hij liep om te lopen. Hij kon zich niet herinneren hoe lang hij al liep. Dagen? Weken? Maanden? Het feit dat hij niet ondervoed of uitgedroogd was, leek te suggereren dat hij op zijn minst af en toe voedsel en water tot zich nam. Als dat zo was, deed hij het onbewust, zonder erbij na te denken.
Als hij er moeite voor deed, kon hij zich wellicht nog herinneren wat hij deed alvorens hij begon te lopen, maar hij had besloten er geen moeite voor te doen. Er was alleen het lopen.
Er waren bossen geweest terwijl hij liep, en velden. Mogelijk waren er ook bergen geweest, maar dat was niet duidelijk. Nu was er het dorp; hij zag het liggen vanaf de top van de heuvel die hij net had beklommen.
Een dorp betekende mensen en de mogelijkheid dat hij met iemand zou moeten praten. Zelf had hij geen behoefte aan contact, maar het was hem opgevallen dat mensen behoefte leken te hebben aan contact met hem. Soms liep er iemand met hem mee, een paar uur, een paar dagen. Men stelde hem vragen alsof men verwachtte dat hij overal antwoord op had, alsof hij een leermeester zou kunnen zijn.
Maar hij had geen antwoorden, had niemand iets te leren.
Hij liep.
Er was een tijd geweest dat hij niet liep, zoveel was zeker. Op zeker moment in zijn verleden was deze staat van niet-lopen overgegaan in het lopen. Men zou zich zo kunnen voorstellen dat deze overgang niet geleidelijk had plaatsgevonden.
Op de een of andere manier was de gedachte dat hij begonnen was een uur te lopen, vervolgens een paar uur en zo steeds langer niet bevredigend. Nee, er moest een dramatische gebeurtenis zijn geweest die deze man had doen besluiten zijn niet-lopende leven vaarwel te zeggen en de Loper te worden.
Zo noemde men hem: de Loper. Niet de loper, maar de Loper, met een hoofdletter L. Sommigen hadden geprobeerd hem de Reiziger te noemen, maar reizen suggereert een doel, en niemand wist wat het doel was. Wellicht was het doel onkenbaar, te groot en abstract om te bevatten voor de niet-lopers, maar aangezien de Loper met niemand sprak, wist niemand wat dat abstracte doel zou kunnen zijn.